|
DE GEVAREN Bevriezen Water kristalliseert en zet uit bij bevriezen. Dit gebeurt ook in een lichaam, waardoor weefsel en zelfs eiwitmoleculen beschadigd raken. De grote eiwitmoleculen, bouwstenen van het orgaanweefsel, hebben een mantel van watermoleculen om zich heen. Zowel bij verhitten als bij bevriezen wordt de subtiele band tussen eiwit en water verbroken en verliest het eiwit zijn biologische werkzaamheid. Voor warmbloedige wezens, waarvan het optimaal functioneren van het lichaam is ingesteld op 37 graden Celsius, kan zelfs een afkoeling tot 25 graden Celsius al dodelijk zijn. Verhongeren Tijdens de winter staat
de groei van planten stil en daarbij ook de aanmaak van nieuw voedsel
voor planteneters en in het verlengde daarvan ook voor vleeseters. Er
moet dus geteerd worden op voorraden. Planteneters zoeken naar de nog
eetbare delen van kale bomen en struiken en verdord gras. Knollen,
wortelstokken, groene bast en overgebleven vruchten hebben 's winters
dan ook hun voorkeur. Roofdieren zijn aangewezen op de planteneters,
insecteneters op verscholen eitjes, rupsen en poppen. Aanpassingen Hoe dieren de winterse periode overleven hangt ook af van warmbloedigheid of koudbloedigheid. Twee totaal verschillende typen stofwisselingsystemen. Koudbloedigheid biedt fysiologisch meer mogelijkheden voor het doorstaan van ongunstige perioden. In het dierenrijk zijn tal van aanpassingen om het gevaar van bevriezen of verhongeren af te weren: er zijn dieren die de winter gewoon trotseren, andere die een winterslaap houden en weer andere die juist actief worden. |