De natuur moet aan het infuus |
|
Bron Volkskrant 15 december 2001 Jeroen Trommelen |
Aan zijn studenten in Ierland, of aan de gasten die hij soms ontvangt uit Oost-Europa, kan ecoloog prof. dr. Marthijs Schouten het nog altijd moeilijk uitleggen. Nederland maakt niet alleen dijken, windmolens en bloemen. Nederland maakt ook nieuwe natuur, en soms noemen we die natuur zelfs nieuwe wildernis.
Zelf
zijn we al een beetje gewend geraakt aan die ruige gebiedjes waar
halfwilde koeien of paarden op rondlopen. Soms vinden we ze zelfs móói.
Maar bij veel buitenstaanders leidt het nog steeds tot glazige ogen en
onbegrip. Niet ten onrechte, vindt de hoogleraar, want zo bijzonder zijn
die nieuwe natuurreservaten inderdaad vaak niet.
Vogelaars
zijn terecht enthousiast over de Oostvaardersplassen, maar
vegetatiekundig is dat een saai terrein. De gasten uit Oost-Europa,
bijvoorbeeld, waren door Schoutens werkgever Staatsbosbeheer meegetroond
naar de Duursche Waarden in Overijssel en daar is al helemáál weinig
te beleven. 'Ze keken naar dat grasland met die distels en geďmporteerde
koeien en begrepen het niet. "Waar is die nieuwe wildernis
dan?".' Hij zou het, eerlijk gezegd, niet precies kunnen vertellen.
Het
contrast met andere landen is groot. Met Ierland bijvoorbeeld, het land
waar hij in de jaren zeventig zijn doctoraalonderzoek deed en waar hij
sindsdien, als parttime natuurbeschermer en bijzonder hoogleraar, is
blijven hangen. 'Het, Ierse landschap is er een met herinnering. Elke
generatie heeft er een afdruk achtergelaten die nog zichtbaar is. Juist
dat maakt het zo interessant. Ik heb niets tegen de afdrukken die onze
eigen generatie achterlaat, zolang daarmee maar niet alle vóórgaande
bladzijden uit de geschiedenis worden weggewist.'
Vorige
week werd Schouten geďnstalleerd als bijzonder hoogleraar in de
ecologie van het natuurherstel aan Wageningen Universiteit. Hij groeide
op in het Limburgse Weert, studeerde biologie in Nijmegen en ontving in
1992 een eredoctoraal van de National University of Ireland voor
activiteiten ter bescherming van de Ierse hoogvenen.
Aan
de universiteiten van Cork en Calway is hij sinds 1995 bijzonder
hoogleraar in de natuur en landschapsbescherming – een andere erfenis
van zijn Ierse avonturen.
Wie
regelmatig met vreemde ogen naar het Nederlandse landschap kijkt, vallen
sommige ontwikkelingen misschien eerder op. Zijn inauguratie in
Wageningen greep Schouten aan om te waarschuwen tegen een ontwikkeling
die volgens hem het Nederlands landschap bedreigt, en die zelfs in
officiële overheidspublicaties wordt verdedigd.
Het
bijzonder van Nederland, zegt hij, is dat natuur hier niet alleen wordt
beschermd en beheerd, zoals ook in de, meeste andere landen gebeurt.
Gedwongen door ruimtegebrek en aangemoedigd door natuurontwikkelaars wordt de natuur hier óók in toenemende mate
gepland
en gemaakt.
Natuur
die op de ene plek in de weg ligt, verdwijnt en wordt elders
'gecompenseerd'. Lang niet alle soorten natuur lenen zich echter voor
deze werkwijze, en dat wordt wel eens vergeten. Venen en loofbossen
hebben er eeuwen over gedaan om te ontstaan. Schrale, voedsel arme
natuurtypes zoals blauwgraslanden, heide en vennen, zijn onvervangbaar
omdat ze in het overbemeste, stikstofrijke Nederland vrijwel niet meer
te reproduceren zijn. Toch staat het land vol bulldozers die aan de lopende band nieuwe natuur, ecologische verbindingszones en natuurcompensatieprojecten produceren. 'En daar word ik dus een beetje zenuwachtig van.' Met vage romantische opvattingen over de natuur heeft de waarschuwing niets te maken, verzekert de hoogleraar. 'Ik word er vaak van beschuldigd romanticus te zijn, maar hier zit geen filosofisch-ethisch verhaal achter. Ik zou het schitterend vinden wanneer we binnen tien weken een goed hoogveen zouden kunnen maken, of een rijp loofbos in een halfjaar. Dan zijn we van veel beheersproblemen af, Maar doorgaans kan dat dus niet.' Aan voorbeelden geen gebrek. Bij de voorgenomen uitdieping van de Westerschelde, bijvoorbeeld, raken getijdengebieden verloren die niet kunnen worden gecompenseerd, maar van vitaal belang zijn voor vogels en waterdieren. Door een 'beetje te pseudo-ontpolderen’, zegt Schouten, probeert de overheid de natuurwaarde er zogenaamd te herstellen. De Vogelbescherming ging er zelfs mee akkoord. 'Maar het laat zien dat je moet kiezen of delen. Wanneer je geen gelijkwaardige natuur kunt terugbrengen, moet je het aandurven je plan ter discussie stéllen'. De meeste ecologen zijn realistisch genoeg om dat te erkennen. Maar de overheid is nog niet zover, denkt hij. 'In de kabinetsnota Natuur voor de mens, mens voor de natuur, staat het heel helder: "Met de provincies worden afspraken gemaakt over welke natuur wáár gerealiseerd gaat worden". Dat suggereert dat we zoiets ook werkelijk zouden kunnen regelen. Ik ben niet tegen natuurontwikkeling waar dat kan, maar stel vast dat we daarnaast ook heel ouderwets moeten conserveren. De ene soort natuur is niet inwisselbaar met het ander.' Wie dat erkent, kiest echter voor langdurige en kostbare maatregelen. Om de laatste resten goede natuur te beschermen, is het nodig die 'aan het infuus te leggen', denkt hij. Want juist de complexe, oude, kwetsbare ecosystemen hebben op dit moment het meest te lijden van vermesting, versnippering en verdroging. 'Wat opkomt aan soorten in die nieuwe, robuuste natuur is meestal gebonden aan voedselrijke milieus. En daar hebben we er zat van in Nederland! Als landschapsecoloog in dienst van Staatsbosbeheer komt Schouten regelmatig in contact met de politiek en de ambtenarij, en daar heerst volgens hem de opvatting dat het grote publiek het verschil toch niet ziet 'Men denkt die aandacht voor kwetsbare natuur is een hobby van ecologen en vlinderaars, maar dat is niet waar De gewone Nederlander ziet heus het verschil wel tussen een wilgenbos met brandnetelondergroei en een heidesysteem met heidevennen Wandelaars concentreren zich vanzelf op de ecologisch interessantste plekken in een natuurgebied. Kennelijk voelt men aan waar dat landschap het soortenrijkst is. Ook al kent men de namen van al die plantjes niet'. Bij zijn inauguratie heeft hij het vergeleken met de Nachtwacht en de St. Jan in Den Bosch Als het om cultuurgoederen gaat wordt algemeen erkend dat er een nationale erfenis bestaat die niet verkwanseld mag worden. 'We hoeven daarvan niet elke tien jaar de onvervangbaarheidswaarde ter discussie te stellen. 'Het zou mooi zijn wanneer de waarde van de natuur, met al zijn soorten en verschijningsvormen, op dezelfde manier bepaald zou worden. Maar daarmee is de vraag of de bedreigde veldhamster en zeggekorfslak vergelijkbaar zijn met de Nachtwacht en de St.-Jan, nog niet beantwoord. Schouten twijfelt. 'Dat kruideniersverzamelen van alle soortjes is voor mij niet nodig. Biodiversiteit is méér dan soortendiversiteit, ook al wordt het daar wel vaak tot teruggebracht. 'Het is belangrijker om typen natuur te bewaren en soorten te handhaven zolang dat kan. Zodat de volgende generaties nog kunnen zien hoe blauwgraslanden, vennen en heide eruit zien en dat niet uit schoolboekjes hoeven te leren.' Maar nogmaals: met romantische opvattingen over de natuur heeft het allemaal niets van doen. Zelfs in Ierland, met zijn mistige landschappen waar Ollie B. Bommel nog elk moment tot leven kan komen, houdt Matthijs Schouten het hoofd koel. 'Ecologisch en cultuurhistorisch is het een schitterende plek, maar het is koud en je kleren plakken door de mist. Je bril beslaat steeds en je auto verandert van binnen in een soort veen. Als je een dag in zo'n mysterieus, Keltisch oerlandschap hebt rondgelopen, zoek je zo snel mogelijk de dichtstbijzijnde kroeg op om bij het haardvuur warm te worden.'
|
|
Gebruik de terugfunctie in uw browser |