Rijn en Maas
De Rijn en de Maas behoren binnen Europa tot de middelgrote rivieren. Eeuwenlang hebben mensen aan de rivierloop gesleuteld. Het rivierenlandschap is een cultuurlandschap geworden, waarbij grote verschillen bestaan tussen de riviertakken. Hoewel de moderne rivieren hun natuurlijke karakter grotendeels hebben verloren, weten ze de mens nog altijd te verrassen, getuige de hoogwaters van 1993 en 1995. Ook erosie en sedimentatie gaan nog steeds hun eigen gang.


Stroomgebied van Rijn en Maas met afvoerdiagram en neerslag hoeveelheden.
Klik op het plaatje voor een vergroting
Bron van de Rijn vlak bij de Rijnwaldhorn bij het plaatsje Hinterrein
Klik op het plaatje voor een vergroting
Bron van de Maas op het Plateau van Langres in Frankrijk
Klik op het plaatje voor een vergroting

Voor de liefhebbers een fotoreportage van het begin van Rijn en Maas


Stroomgebied van Rijn en Maas


Rijn

De Rijn is 320 km lang. Hij ontspringt in Zwitserland als een snelstromende bergrivier, gevoed door de gletsjers in de Alpen van het Gotthardmassief. Gevoed door regen - en smeltwater uit negen landen baant hij zich een weg naar de Noordzee. Het stroomgebied is 185.000km2 groot waarvan 25.000km2 in Nederland ligt. De gemiddelde stroomsnelheid van de rivier varieert in Nederland van 0,5 tot 1,5 m/s, met een uitschieter tot boven 2 m/s. Bij Lobith bedraagt de gemiddeld afvoer 2.300 m3/sec.

Boven Bazel wordt de afvoer, behalve door veel regenwater, bepaald door smeltwater van sneeuw en zo'n 150 gletsjers. Hierdoor kent de bovenloop een afvoerpiek in de vroege zomermaanden. 's zomers is ruim 70 procent van het Rijnwater bij Lobith afkomstig uit het Alpengebied, de bijdrage uit de rest van het stroomgebied is dan klein, omdat een groot deel van het regenwater verdampt voor het de rivier bereikt. Gemiddeld is de afvoer van de Rij bij Lobith het hoogst in de winter. Dan staat de verdamping op een laag pitje en voert de Rijn vooral regenwater af. De bijdrage uit de Alpen is 's winters maar klein, zo'n 30 procent, omdat een groot deel van de neerslag daar in de vorm van sneeuw valt, die er gedurende enkele maanden blijft liggen. Pas als de sneeuw aan het eind van het voorjaar smelt komt dat water in de Rijn. Het gemengde afvoerregime bezorgt de Rijn een relatief regelmatig afvoerpatroon, waardoor de rivier het hele jaar bevaarbaar is. 

Rijntrajecten

De Alpenrijn in Zwitserland is een bruisende bergrivier. Na Bazel wordt de rivier rustiger, vanaf hier heet hij Oberrhein. Oorspronkelijk kronkelde de rivier hier nog op natuurlijke wijze door het landschap. Omdat de Rijn hier niet door harde rotsen en één stroom werd gedwongen, splitste de rivier zich in vele vertakkingen. langs de oevers is een rijk natuurgebied ontstaan met moerasbossen en weitjes. Vanaf Bingen verandert het karakter van de rivier, die hier Mittelrhein heet, opnieuw. Hij stroomt door een smal diep dal langs het Taunusgebergte en de Eifel. Vanaf Bonn begint de Niederrhein en wordt het gebied vlak. De Nederlandse Rijntakken monden uit in de Noordzee en het IJsselmeer. Hier zijn geen grote hoogte verschillen meer en geen harde rotswanden, die de stroom in een bepaalde richting dwingen. Vroeger zocht de rivier zich hier via vele vertakkingen door een moeraslandschap een brede weg naar zee.

De verdeling van de afvoer van de Rijn door het jaar heen. De Rijn is een gecombineerde smeltwater - regenrivier. Vanuit Zwitserland komt in de zomer het meeste water in de Rijn, terwijl de bijdrage ven de Duitse zijrivieren in de winter het grootst is. Daardoor is de Rijnafvoer bij Basel in de zomer het hoogst, terwijl dit bij Lobith in de winter het geval is. De rivieren voeren het meeste water af in de winter.

 

Volgende pagina 2