| Rijn en Maas |
|
De
Rijn en de Maas behoren binnen Europa tot de middelgrote rivieren.
Eeuwenlang hebben mensen aan de rivierloop gesleuteld. Het
rivierenlandschap is een cultuurlandschap geworden, waarbij grote
verschillen bestaan tussen de riviertakken. Hoewel de moderne rivieren
hun natuurlijke karakter grotendeels hebben verloren, weten ze de mens
nog altijd te verrassen, getuige de hoogwaters van 1993 en 1995. Ook
erosie en sedimentatie gaan nog steeds hun eigen gang. Voor de liefhebbers een
fotoreportage van het begin van Rijn en
Maas Boven Bazel wordt de afvoer, behalve door veel regenwater, bepaald door smeltwater van sneeuw en zo'n 150 gletsjers. Hierdoor kent de bovenloop een afvoerpiek in de vroege zomermaanden. 's zomers is ruim 70 procent van het Rijnwater bij Lobith afkomstig uit het Alpengebied, de bijdrage uit de rest van het stroomgebied is dan klein, omdat een groot deel van het regenwater verdampt voor het de rivier bereikt. Gemiddeld is de afvoer van de Rij bij Lobith het hoogst in de winter. Dan staat de verdamping op een laag pitje en voert de Rijn vooral regenwater af. De bijdrage uit de Alpen is 's winters maar klein, zo'n 30 procent, omdat een groot deel van de neerslag daar in de vorm van sneeuw valt, die er gedurende enkele maanden blijft liggen. Pas als de sneeuw aan het eind van het voorjaar smelt komt dat water in de Rijn. Het gemengde afvoerregime bezorgt de Rijn een relatief regelmatig afvoerpatroon, waardoor de rivier het hele jaar bevaarbaar is. Rijntrajecten De Alpenrijn in Zwitserland
is een bruisende bergrivier. Na Bazel wordt de rivier rustiger, vanaf
hier heet hij Oberrhein. Oorspronkelijk kronkelde de rivier hier nog op
natuurlijke wijze door het landschap. Omdat de Rijn hier niet door harde
rotsen en één stroom werd gedwongen, splitste de rivier zich in vele
vertakkingen. langs de oevers is een rijk natuurgebied ontstaan met
moerasbossen en weitjes. Vanaf Bingen verandert het karakter van de
rivier, die hier Mittelrhein heet, opnieuw. Hij stroomt door een smal
diep dal langs het Taunusgebergte en de Eifel. Vanaf Bonn begint de
Niederrhein en wordt het gebied vlak. De Nederlandse Rijntakken monden
uit in de Noordzee en het IJsselmeer. Hier zijn geen grote hoogte
verschillen meer en geen harde rotswanden, die de stroom in een bepaalde
richting dwingen. Vroeger zocht de rivier zich hier via vele
vertakkingen door een moeraslandschap een brede weg naar zee.
|