pagina
5
Benedenrivieren
In de benedenlopen
van Lek, Waal (Merwede) en Maas neemt de invloed van de zee geleidelijk
toe: waterbeweging en waterstanden ondervinden de invloed van eb en
vloed, hetgeen bij stormvloed zelfs kan leiden tot extreem hoge
waterstanden. Bij vloed dringt het zoute water de Nieuwe Waterweg binnen
en vooral in tijden van lage rivierafvoeren kruipt de zouttong
geleidelijk verder stroomopwaarts. Het zuidelijkste deel van het
benedenrivierengebied wordt door de Haringvlietdam van de Noordzee
afgeschermd.
De IJssel mondt uit in
het IJsselmeer, dat weer via de Afsluitdijk op de Waddenzee afwatert. De
waterstanden in de benedenloop van de IJssel worden mede bepaald door
het waterpeil van het IJsselmeer, terwijl ook de wind voor opstuwing kan
zorgen.
Rivierwerken in het
verleden
In
1800 begon Johann Gottfried Tulla met het normaliseren
(vastleggen in de rivierbedding) van de Oberrhein. De kaartjes
tonen de Oberrhein bij Breisach voor en na de correctie van
Tulla rond 1828 en na de laatste kanalisatie in 1963. Door de
kanalisaties heeft de Rijn veel minder ruimte gekregen.
|

Vroegere
verbindingen tussen Waal en Maas. Bij hoge rivierafvoer stroomde
het water bij Heerewaarden hierdoor vanuit de Waal de Maas in.
Dit zorgde voor grote wateroverlast in Noord - Brabant. Pas rond
1900 is deze situatie opgelost door het aanleggen van de
Heerewaardense afsluitdijk. |
Kaartje
van de kanalisatie van de Oberrhein bij Breisach
Klik op het plaatje voor een
vergroting |
Klik op het plaatje voor een vergroting
|
Het temmen van de grote rivieren begon
al in de Romeinse tijd. Omstreeks 10 v. Chr. bouwde de Romeinse
bevelhebber Drusus op het splitsingspunt in de Bovenrijn de naar hen
genoemde Drususdam om de afvoer van de Waal te beperken ten gunste van
de Nederrijn. Zo kregen zijn bondgenoten betere flankdekking tegen de
Germanen.
De oudste dijken in het
Nederlandse rivierengebied werden vanaf de 10e eeuw aangelegd. Dit waren
lokale dijkjes die min of meer haaks op de rivier langs de
stroomopwaartse zijde van de oude dorpspolders waren aangelegd. Ze
dienden om het overtollige regen - en rivierwater terug te leiden naar
de brede hoofdgeul. Voor de systematische bedijking van de rivieren
waren echter krachtige organisaties van bestuur en waterstaat nodig. Pas
na de instelling van waterschappen werd vanaf de 12e en 13e eeuw
begonnen met de bedijking van de rivieren en ontstonden de eerste
polders. Rond 1450 waren de grote rivieren vrijwel helemaal
bedijkt.
 |
| Tot
in de 19e eeuw waren de rivieren breed en ondiep, met eilanden en
zandbanken. (voor de natuur een ideale situatie) Om land te winnen
probeerde men de stroming langs de oevers met kribben af te
remmen. Daardoor ontstonden zandbanken die door opslibbing
geleidelijk hoger werden en begroeid raakten. Oude kaarten laten
zien dat er al in de vorige eeuw ingrepen in het rivierbed werden uitgevoerd.
Met kribben werd de stroom van de oevers af geleid als deze werden
ondergraven, en probeerde men het aanwassen van nieuwe
uiterwaarden te versnellen. |
Volgende pagina
6 |