Waterkwaliteit
Pagina 2

Ook organische microverontreinigingen, PAK's  PCB's en dioxines vertonen het zelfde beeld als de zware metalenvervuiling: hoge gehalten in de jaren 50, 60 en begin 70 en een geleidelijke daling tot begin jaren 90. Deze stoffen hechten zich aan slibdeeltjes en vormen een probleem in de sedimentatiegebieden van de grote rivieren. Biesbosch, Hollandsch diep, Nieuwe Merwede en het Ketelmeer.

Sediment dat de afgelopen eeuwen in een kolk in de uiterwaarden langs de Waal is afgezet weerspiegelt de geschiedenis van de metaalverontreiniging van de Rijn

Bestrijdingsmiddelen zoals DDT, lindaan, aldrin, endrin  en dieldrin hechten zich ook aan slibdeeltjes van toekomstige waterbodems. Insecticiden blijken te zorgen voor 4 procent van de emissies, maar voor 79 procent van de totale risico - emissies voor het watersysteem. Ook veel ongeïdentificeerde toxische verbindingen komen voor en kunnen soms oplopen tot wel 80 procent.

Fosfaat en stikstof

Fosfaten en stikstofverbindingen zijn nutriënten. Ze veroorzaken overmatige algengroei in het oppervlaktewater. Dit leidt vervolgens weer tot een daling van het zuurstofgehalte. Door de bouw van rioolwaterzuiveringsinstallaties in de jaren 1970 - 1980 komen er minder organische afvalstoffen en dus ook minder fosfaat en stikstofverbindingen in het lozingswater terecht. De Maas is zeer rijk aan nutriënten. Vooral in het bijna stilstaande water achter de stuwen treedt regelmatig algenbloei op. Stikstof en fosfaat zijn hier voornamelijk afkomstig van ongezuiverde huishoudelijke lozingen ondermeer uit België. en van RWZI's op de Nederlandse zijrivieren en de Maas zelf, en afspoeling vanuit de intensieve landbouw.  

 
Fosfaatgehalten in de Rijn en de Maas

Temperatuur en zoutgehalte

De rivieren zijn de afgelopen eeuw zouter en warmer geworden. Er leven nu allerlei zout - en warmte minnende organismen in, die hier oorspronkelijk niet thuishoren. De na- oorlogse watertemperatuur van de Rijn is, vooral door koelwaterlozingen van elektriciteitscentrales en industrie, met bijna een halve graad Celsius per 10 jaar gestegen. Het rivierwater bevriest nu minder vaak, waardoor nu allerlei nieuwe soorten waterorganismen kunnen overleven. Ook de Maas wordt belast met koelwaterlozingen. Daardoor is het Maaswater zomers in perioden van lage afvoer vaak te warm. 

Het natuurlijke chloride- of zoutgehalte van de Rijn bedraagt 10 à 15 mg/liter. Tegenwoordig bedraagt het zoutgehalte van de rivier gemiddeld zo'n 150 mg/liter. Het hoge zoutgehalte tast de drinkwaterleidingen aan. Land- en tuinbouw lijden schade door verzilting. Ongeveer een derde van de zoutlast wordt veroorzaakt door lozingen van de Franse kalimijnen in de Elzas, die volgens plan in 2004 zullen sluiten. Het zoutgehalte van de Maas is beduidend lager dan dat van de Rijn. nl 80mg/liter

 

Einde van dit hoofdstuk

naar Natuurontwikkeling